Met liefde bezien, kritisch besproken

75 jaar na 1946, over religieus humanisme

7

Door Luuk Koens /

In het jaar 1946, kort na WOII, overleed apostel J.H. van Oosbree. De testamentaire aanwijzing van zijn opvolger leidde tot een schisma in de Hersteld Apostolische Zendingsgemeente en de oprichting van Het Apostolisch Genootschap vijf jaar later. Het genootschap presenteert zich nu als een plaats voor religieus-humanistische zingeving.
In het verleden zijn meerdere pogingen gedaan om religieus humanisme op de kaart te zetten. Er is bijvoorbeeld in 1945 een plaatselijk Religieus Humanistisch Verbond in Amersfoort opgericht dat evenwel in 1946 opging in het toen opgerichte Humanistisch Verbond. In zijn doctoraalscriptie heeft Louis Bouten al veel geschreven over religieus humanisme in Nederland en de Verenigde Staten [1]. Het Apostolisch Genootschap werd ten tijde van de studie van Bouten (2007) nog niet als religieus-humanistisch gezien.

Aan het einde van hetzelfde jaar 1946 schreef Martin Heidegger een ‘Brief over het humanisme’. Een jonge Franse filosofiedocent, Jean Beaufret, had Heidegger de vraag gesteld hoe opnieuw betekenis te geven aan het woord ‘humanisme’. Heidegger, die enige tijd sympathiseerde met het nationaalsocialisme, beantwoordde deze voor hem lastige vraag met een wedervraag: “Deze vraag komt voort uit de opzet aan het woord ‘humanisme’ vast te houden. Ik vraag me af of dat nodig is. Of is het onheil dat al dergelijke termen aanrichten niet al duidelijk genoeg?”

In zijn werk richtte Heidegger zich op het alledaagse ‘bezig-zijn’ van de mens. Hij grijpt terug naar een oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord ethos: een plek waar men gewoonlijk vertoeft, waar men woont. Het gaat hem dan niet alleen over fysiek maar ook in het denken en spreken bij elkaar zijn – tegenwoordig zou je de sociale media erbij kunnen rekenen. Het op jouw plek ‘in de wereld zijn’ betekent zorgend, verantwoordelijk omgaan met ons eigen bestaan, met de dingen in de wereld en met anderen.

Net zomin als Heidegger liet zijn leerling en vriendin Hannah Arendt zich in een filosofisch vakje duwen. Van Arendt is vooral bekend hoe het proces tegen de oorlogsmisdadiger Eichmann haar frappeerde: dat niet een monster maar de gedachteloosheid van een fragiele, plichtsgetrouwe ambtenaar zoveel ellende mede veroorzaakte. Daarnaast is ‘de tafel van Arendt’ een begrip geworden in de publieksfilosofie. Marli Huijer, voormalig Denker des Vaderlands, bouwt daarop verder en liet in haar oratie over denkende verbeelding [2] zien dat het belangrijk is om te denken – niet zozeer vanuit grote concepten maar meer vanuit concrete levenservaringen en dat je leert denken vanuit de perspectieven van anderen, ook wanneer zij niet bij je aan tafel kunnen zitten of zelfs niet jouw mensentaal spreken. Huijer gaat hierin mee met de ideeën van Donna Haraway, een Amerikaanse filosofe, biologe en feministe.

Filosofen als Heidegger, Arendt en Huijer gaan uit van humanistische waarden, dat de mens een autonome en verantwoordelijke rol heeft in de vormgeving van zijn bestaan, een bestaan dat is ingebed in een groter geheel – en waarvan ik de grootsheid, het ontzaglijke ervaar. Die ervaring stelt me, in de woorden van de joodse godsdienstfilosoof Martin Buber, tegenover een volstrekt van mij onafhankelijke werkelijkheid. Hij schrijft in de proloog van zijn boek Godsverduistering [3] over een ontmoeting met een oude man die zich beklaagt over wat mensen elkaar in naam van God aandoen. “Geen woord is zo bezoedeld, zo gehavend. (…) Wij kunnen het woord ‘God’ niet schoonwassen en wij kunnen het niet heel maken. Maar wij kunnen het, zo bevlekt en gehavend als het is, van de grond opnemen en het boven een ure van grote benauwenis opheffen. (…) Het gesprek was voleindigd. Want waar twee waarlijk tezamen zijn, zijn ze het in de Naam van God”. Het verhaal ontroerde mij zeer.
Als kind op de Kleine Catechisatie kreeg ik een aversie van de woorden ‘God’ en ‘Christus’ toen we liedjes zongen zoals “Wie God wil behagen die zit er niet stil – ja zo’n kind is een kind naar Gods hart!”. Het was leuk om te zingen maar het theïstische godsbeeld was vreemd voor mij en ik wist echt niet wat ‘behagen’ betekent. De regel “Maar nu is Hij (Christus) weer als Apostel” in een kerstlied was even onbegrijpelijk. Ik gebruik deze woorden zelf liever niet meer. Evenmin zou ik mezelf religieus humanist willen noemen, het is onnodige framing, wie het over mij zou horen, kan het meer belang toedenken dan ik er zelf aan zou geven. De kwalificatie religieus-humanistisch kan natuurlijk wel nuttig zijn om het Apostolisch Genootschap een plek te geven op het levensbeschouwelijk palet.

[1] Louis Bouten, Religieus humanisme: inhoud en geschiedenis, een onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Religious Humanism en een vergelijking met de Nederlandse situatie, 2007, doctoraalscriptie, pdf beschikbaar op de website van de Universiteit voor Humanistiek.

[2] Marli Huijer, Denkende verbeelding, publieksfilosofie in de 21ste eeuw, Boom, Amsterdam, 2018.

[3] Martin Buber, Godsverduistering, beschouwingen over de betrekking tussen religie en filosofie, Erven J. Bijsterveld, Utrecht, 4e druk 1979.

Voeg commentaar toe

Met liefde bezien, kritisch besproken

J.H. van Oosbree (1862-1946)

Pagina’s

Verschenen blogs